zondag 4 november 2012

Beetje filosoferen en zoeken in het bos

Vakantie schopt de blogroutine aardig in de war. Vlak voor de vakantie doken de eerste paddenstoelen op.  Vorig jaar had ik me fanatiek op de paddenstoelenstudie gestort, maar de meeste kennis is helaas al weer weggeëbd en eigenlijk had ik weinig puf om weer van voren af aan te beginnen met al dat moeizame gezoek naar bijpassende namen.


In Frankrijk vind je alleen paddenstoelen op de markt, niet in het bos. Prachtige, supergrote boleten. Het zou geweldig zijn als je die in het bos zou tegenkomen, maar dan moet je minimaal heel erg vroeg opstaan, want Fransen lijken alles wat eetbaar is weg te plukken. Slechts één vrij klein, aangevreten exemplaar weet ik te spotten in dat hele grote oerbos!


Wonderlijk toch, dat grote, verenigde Europa..... want niet alleen qua houding tegenover de paddenstoel verschillen wij van de andere volken, ook qua houding tegenover dieren.

Terwijl hier een compleet circus van fotografen (vorige week zondagmorgen waagde zelfs een camper zich tussen het bijna in file rijdende verkeer op het smalle pad van het Pannenland) zich vergaapt aan de bronstige herten, staan daar in het oerbos comfortabele jachthutten, zodat je als jager relaxt gezeten op je 'troon' kunt wachten of er iets voor de loop verschijnt. Op zich natuurlijk ook wel handig voor de fotograaf, zo'n jachtzetel!
Op de markt staat behalve een paddenstoelenkraam dan ook een grote kraam vol jagerskleding en jagersspullen. Zou hier direct een actiegroep voor liggen!



Toch voel je je vreemd en kun je je een beetje in het dier verplaatsen als je daar rondloopt: constant op je hoede, met een vaag gevoel van angst. "U kunt beter zo'n geel, fluorescerend hesje aantrekken als u in het bos wandelt", zegt de vrouw van de toeristeninformatie bemoedigend.

In de verte hoor ik een dier. Een everzwijn, denk ik optimistisch en heldhaftig. Dat zou wel cool zijn, een everzwijn in een oud Gallisch bos. En terwijl ik loop te bedenken dat op het moment van confrontatie de macrolens op de camera toch wel de misser van het jaar zou zijn, hoor ik een schot in diezelfde verte. Tot zover het everzwijn.

Bovenstaand bos is overigens niet dat oerbos, maar het statige landgoed Groenendaal. Een paddenstoelenparadijsje.

Die landgoederen brengen weer andere gevoelens met zich mee.

Kleine bloedsteelmycena's, te herkennen aan het rode sap dat uit de gekneusde steel komt

Groenendaal, en ook Elswout, zijn vooral keurige landgoederen, met bijpassend keurig publiek. Keurig gekleed, zo uit een modeblaadje weggelopen. "Genieten van de herfst!", dat soort titels. Dure camera's, dure statieven, dure mensen.
En ik voel me een beetje een landloper, met mijn bemodderde, kletsnatte broekspijpen, mijn oude, versleten jack, de allang niet meer waterdichte stappers.
Maar wellicht straal ik met mijn verlopen look wel een soort deskundigheid uit: zo'n geitenwollensok met een oneindige kennis van wat leeft in de natuur. De minutieuze zoektocht langs de bast van een enorme lindenboom naar het uiterst zeldzame Kleverig lindenbekertje, een piepklein paddenstoeltje dat ergens op de stam zou moeten groeien, versterkt ongetwijfeld die indruk.  "Praat u tegen de bomen, mevrouw?" (Het is herfstvakantie). Het bekertje heb ik helaas niet gevonden, wel hele schattige bloedsteelmycena's (niet op die lindenboom, maar op de ernaast staande beuk).

Qua hordes fotografen doen de landgoederen overigens niet veel onder voor het Lek. Zou er een paddenstoel zijn die niet minimaal 10 keer gefotografeerd is, voordat hij sterft?

Amanieten blijven leuk, ook al hebben ze geen rood hoedje. Dit is denk ik de Gele knolamaniet, ook al is hij wit. Zo gaat dat in de paddenstoelenwereld. Weinig logica.



Een heel herfstige paddenstoel is de beukenridderzwam. Met de kleur van kastanjes. Waar een streepje zonlicht op de paddenstoel valt droogt de hoed uit en zo lijkt de paddenstoel nog meer op een kastanje.

Ook heel herfstig is de (beuken)melkzwam. Dat 'beuken' tussen haakjes, want dat denk ik alleen maar, vanwege de oude beuken in het bos, maar eigenlijk is dat geen criterium. Melkzwammen herken je als soort vrij simpel door een paar lamellen te kneuzen. Er komt dan wit sap tevoorschijn. Verkleurt het sap snel naar geel of bruin, dan kun je op basis daarvan een naam aan de paddenstoel verbinden. Zo niet, dan moet je gaan ruiken. En proeven.



Tegenwoordig lig ik dus niet alleen op de buik in de modder voor een foto, maar ook nog eens met de neus op de grond teneinde de paddenstoel te besnuffelen. Helaas voor mij ruiken ze allemaal naar ...... schimmel. Moet je kennelijk eerst een cursus Meester-parfumeur voor volgen.

En proeven? Af en toe breek ik manmoedig een stukje af met de bedoeling het voorzichtig te proeven. Maar achter in mijn hoofd klinkt dan de waarschuwende stem van mijn vader: "eet nóóit van de paddenstoelen, kind!". "Nee, pap", en dan gooi ik het stukje toch maar weer weg en zal nooit weten hoe de paddenstoel heet.




Dodemansvingers.
Zwart als het rottend hout en de modder eromheen steken ze graaiend omhoog naar de argeloze fotograaf die de erboven staande Glimmerinktzwammetjes probeert te vereeuwigen. Super zwart tegen een diepzwarte achtergrond waren ze. Flitsen bederft toch wel de sfeer, achteraf bezien.

glimmerinktzwammetjes
En onderstaande foto? Doet het ergens aan denken? Heel in de verte? ................... :(

In gedachten zie ik ineens het beeldschone juwelendoosje van Loes met de tere, porseleinen pareltjes............

Een kist met zwavelkoppen .... verschil moet er zijn!  

Maar ach, uiteindelijk is dit wat overblijft van al die pracht!

vergaan porseleinzwammetje