woensdag 22 augustus 2012

Waar veenmos is.....

Tsja...  lijkt een simpele vraag die Loes stelt in haar reactie op het vorige blog. Toch zou je er een dik boek over kunnen schrijven. Waar veenmos is, kun je op termijn zonnedauw verwachten. Hoezo? vraagt Loes zich af.


Het antwoord op de vraag kan heel simpel zijn, volgens een bijbelse gelijkenis: de boer zaait en sommige zaadjes belanden op onvruchtbare bodem, andere op de rotsbodem en slechts een paar belanden op vruchtbare grond en kiemen.

Het zaad van de Muurleeuwenbek kiemt alleen in de voegen en spleten van oude muren 


Waternet zaait en ......

Maar er was een tijd zonder Waternet. Toen zaaiden de wind en de dieren, of de planten zelf.
Of het gebrachte zaad kiemt en uitgroeit tot een volwassen plant hangt van veel factoren af.

Het is boeiend om te zien hoe de groei van de een de voorwaarde vormt voor het kunnen kiemen van de ander. En hoe de nieuwe plant op haar beurt weer nieuwe voorwaarden schept, waardoor enerzijds de oorspronkelijke plant verdwijnt, en anderzijds nieuwe soorten zich vestigen en zijzelf uiteindelijk ook weer zal verdwijnen.

zaaddoosjes van Knopig helmkruid

Als je vanaf het strand in rechte lijn het duin doorsteekt, volg je als het ware de tijdslijn van de eerste pioniers tot aan de uiteindelijke bewoners. Vanaf de eerste sprietjes biestarwegras, zandhaver en helm die zo taai zijn dat ze zout, zand en zeewind kunnen trotseren tot aan de hoge bomen, tot aan de dorpen.

Bovenaan het strand zie je hoe kleine bergjes zand zich ophopen tegen de stengels van de eerste, taaie bewoners en waar bergjes zijn, zijn dalen. In die kleine kommetjes verzamelt zich wat zoet regenwater en dat geeft een ander  zaadje weer de kans om te ontkiemen. Wanneer deze planten sterven vormen ze een heel klein beetje bemesting voor de onvruchtbare grond.

De witte abeel wordt aan de kust vaak aangeplant omdat ze zoute lucht verdraagt


Veel van deze pioniersplanten hebben een degelijk wortelstelsel waardoor ze verstuiving van het zand tegengaan. Er ontstaan dan kleine duintjes met de bijbehorende kleine dalletjes waarin het water blijft staan. Hoe meer planten er komen, hoe meer dieren langskomen, voor het bladgroen, voor de honing, voor de zaden.

Muurpeper is zo'n zandbinder, met haar heldergele bloemen lokt ze insecten


 En zo nemen bemesting en vochtigheid toe en worden nieuwe voorwaarden gecreëerd voor weer andere zaden om te kiemen. De vegetatie wordt steeds dichter, rijker en groter.



Een van de boeiendste planten in deze reeks is de duindoorn. Een pionier van de zeereep. De vaak hoog opgroeiende duindoorn biedt schaduw, de bessenrijkdom lokt vogels die zaden en mest brengen. Bovendien maken de wortels van de duindoorn door een bepaalde bacterie in de grond stikstof aan. De stikstofrijke bodem rond de duindoorn biedt dan weer mogelijkheden voor planten die veel stikstof nodig hebben, zoals brandnetels. Tussen oude, hoge duindoornstruiken is het vaak niet alleen schaduwrijk, maar ook vochtig en hierdoor kunnen paddestoelen en mossen er een plekje vinden.
Een informatief stuk over de duindoorn vind je hier.

Als de bodem te rijk aan voedsel wordt, verdwijnt de duindoorn en maakt plaats voor liguster, meidoorn, Gelderse roos e.a

rijpende bessen van de meidoorn


Het is al met al een ingewikkeld, kwetsbaar systeem van samenleven en voorwaarden scheppen voor ander, nieuw leven. Je kunt je dan ook voorstellen dat de waterwinning in het duingebied desastreus is geweest voor de flora.
Tegenwoordig wordt langs de hele kust hard gewerkt om de aangebrachte schade te herstellen. Er wordt druk beheerd en weinig van de huidige natuur is nog echt 'wild'.

Maar door de omstandigheden optimaal te maken en de bij die omstandigheden behorende planten weer terug te brengen in de natuur, krijgen de zaden weer een kans om zich als van ouds te verspreiden en te vestigen, zodat het toch weer een beetje wild wordt en een vondst weer echt een vondst wordt.

zaaddozen moeraswespenorchis


Ook in de AWD wordt veel graafwerk verricht om de duinvalleien weer vochtig te krijgen. Je ziet steeds meer plekken waar zich poeltjes vormen. In deze drassige gebieden voelt het veenmos, samen met een aantal andere mossen en planten, zich helemaal thuis.

zaaddozen zonnedauw
Veenmos kan ontzettend veel water opnemen, en daarmee ook calcium en magnesium. Er worden dan waterstofionen afgegeven en die zorgen voor een bodemgesteldheid waarin materiaal geconserveerd blijft. Denk aan de veenlijken.

Bovendien sterft veenmos aan de onderkant af, terwijl de bovenkant vrolijk doorgroeit. Het afgestorven plantenmateriaal vergaat dus niet en vormt een steeds dikkere, vochtige deken. Door dieren, de wind of een idealistische bioloog worden dan de zaden gebracht die in deze dikke deken kunnen kiemen. Zoals het zaad van de Ronde zonnedauw.

bloem Ronde zonnedauw













Over dieren, moerassige poeltjes en biologen gesproken.

Het verhaal gaat dat er ooit een iemand met een plastic zakje/doosje/emmertje vol boomkikkertjes de AWD in trok. Een kenner waarschijnlijk. Iemand die wist welke omstandigheden dit kieskeurige diertje prefereert: een visvrije poel om te paren en een braamstruik om te zonnen. Meer is er niet in het leven van een boomkikker. Nou ja, rust..... dat ook. En die poel en die braamstruik (en die rust) moeten wel optimaal zijn..... optimaal naar de maatstaven van de boomkikker..... anders vertrekt-ie gewoon. Zonder rugzakje!

De plek om de diertjes te droppen is kennelijk goed gekozen, want er wonen sindsdien steeds meer boomkikkertjes in de AWD (zeggen de kenners). Op mooie lenteavonden kun je ze luidkeels horen kwaken (zeggen diezelfde kenners). Kan niet missen (zeggen ze ook, maar zij zijn kenners).

De aanwezigheid van een poel krimpt het aanmerking komende gebied aardig in (al neemt het aantal poelen zoals hierboven beschreven in ras tempo toe). Maar boomkikkertjes zijn wel heel erg klein, en dan is het poelengebied natuurlijk wel weer heel erg groot.
Zelfs Google weet ze niet te vinden. Fijn voor de boomkikker, sneu voor de blogger!

Heel veel bramen zoeken bij zonnig weer ......



't Doet wel alle damherten, vossen en ijsvogeltjes verbleken....

dinsdag 14 augustus 2012

Tussen bloei en zaad

Een zonnige zondagmorgen. Het is opvallend stil in de AWD. Zeker nadat je de joggers achter je hebt gelaten. Een fantastische dag om in het gras te zitten en te kijken naar de bloemen en de bijtjes, de dartelende vuurvlindertjes en de zandoogjes. Genieten van de stilte, terwijl je bedauwde bramen eet. Witte abelen tekenen zich af tegen de blauwe lucht. Heel veel specifieke duinplanten staan nu in bloei, maar veel andere planten dragen al zaaddozen, pluis of bessen.

Ik heb geen groothoeklens bij me voor de witte abelen. Jammer, het zijn prachtige plaatjes. Dus de blik zoals altijd maar weer op de grond gericht. Kleurig, met de rode zaaddozen en nog een enkele felgele bloem steekt het Sint-Janskruid af tegen de geelgroene grassen.


Vlasbekjes (vlasleeuwenbekjes) worden druk bezocht. Een beetje typisch plantje, vind ik altijd. Met een lang spoor en een dikke, gezwollen onderlip. Op die onderlip zit meestal een duidelijk honingmerk. Voor de hommels en bijen nog een hele klus om bij die honing te komen. Eerst moeten ze de gezwollen onderlip opzij duwen, om zich zo een weg te banen en dan zit de honing ook nog eens diep in de lange spoor. Wie niet sterk is, moet slim zijn. Dat geldt ook hier. Slimme bijtjes bijten gewoon een gaatje in de spoor!


Deze dus niet, die duikt er vol in.


 Voor het eerst zie ik Heelblaadjes in de AWD. Een hele oever vol... dat zal niet spontaan gebeurd zijn!

 Heelblaadjes behoort onmiskenbaar tot de Composietenfamilie, met haar 'bloem' die bestaat uit gele lintbloemen en een donkergeel hartje van buisbloempjes. De blaadjes zijn wat kreukelig en liggen vrij stijf tegen de eveneens stijve stengel aan. Een beetje houterige plant wel. Maar wel heel zonnig en bovendien zeer geneeskrachtig bij wonden en zweren.


Een andere gele Composiet die je nu heel veel ziet is de Kleine leeuwentand. Een van de vele bloemen die lijken op de paardenbloem.


Er is een handig trucje om de Kleine leeuwentand te herkennen. Kijk hiervoor naar het omwindsel (het 'korfje' dat de lint- en buisbloempjes bijeenhoudt). Als de blaadjes van het omwindsel een zwart randje hebben is het de Kleine leeuwentand.
Een ander kenmerk vormen de gebogen bloemknoppen. Maar deze kom je ook tegen bij de Ruige leeuwentand.


Om de Kleine leeuwentand dan weer van de Ruige leeuwentand te onderscheiden moet je naar het zaadpluis kijken. Een vrij klein pluizig bolletje. Van dichtbij zie je dat de buitenste vruchtjes geen pluis hebben, maar in een soort bakje liggen. De vruchtjes van de Ruige leeuwentand hebben allemaal pluis.

Ook de distels staan inmiddels uitbundig in het pluis. De speerdistel heeft soms wolken van pluis om zich heen hangen. Nou ja, wolkjes. Het pluis van de speerdistel is geveerd: de pluisdraadjes hebben weer ragfijne zijdraadjes, als een veertje.




Behalve veel geel is er ook veel paars. Natuurlijk de kruidige watermunt, die nu volop in bloei staat.



Maar ook de Grote tijm is in kleine tapijtjes aanwezig. Voor de geur kun je een blaadje kneuzen tussen je vingers. De verschillende tijmsoorten onderscheiden zich door de beharing van de bloemstengel. In het geval van de Grote tijm is de vierkantige bloemstengel alleen op de ribben behaard.




Echter, de koningin van de duinen blijft toch de Parnassia. ik kende haar al wel uit de Kennemerduinen, waar ze vrij veel te vinden is, maar vandaag tref ik haar voor het eerst aan in de AWD!
Misschien was ze er al eerder: Waternet heeft  haar goed verstopt. Weggedoken tussen de hoge russen en andere gras- en biesachtigen.
Wel een mooie locatie voor een moeilijk te fotograferen plantje, met het licht dat gefilterd wordt door de omringende planten.



De bloemblaadjes hebben doorschijnende aderen. Om zelfbestuiving te voorkomen rijpen de meeldraden en de stamper niet gelijktijdig. Dit is goed te zien bij de Parnassia: een voor een buigen de meeldraden zich boven de stamper, dan slaan ze weer terug en de lege helmhokjes vallen af. Daarna pas opent de stamper zich en komen de stempels vrij, wachtend op insecten met vreemd stuifmeel.








Bij deze uitgebloeide Parnassia zie je duidelijk dat de meeldraden zijn teruggebogen en de helmhokjes met stuifmeel zijn afgeworpen en de stempels vrij liggen.





 Om de insecten te lokken zijn er nectariën, een soort vervormde meeldraden. Ze zijn goudgeel met vochtig glinsterende knopjes. Onderaan zit wat honing.









En dan vind ik een nieuw stekkie met veenmos! En waar veenmos is, kun je in de toekomst zonnedauw en andere veenplanten verwachten. Misschien.
Dit veenmos ligt verscholen tussen het hoge riet, dat deels echter platgeslagen ligt, om het veenmos wat licht te verschaffen, denk ik. Heeft toch iemand zich er tegen aan bemoeid....
Of er moet een damhert geslapen hebben, is natuurlijk wel een lekker zacht bedje .... Veenmossen kun je alleen op naam brengen door de vorm van de blaadjes waar een stengeltje uit bestaat, uitvoerig te bestuderen. Dat kan alleen via de microscoop. In het najaar kleuren de veenmossen rood. Die kleur kan ook een indicatie voor de soort zijn.



Het is wonderlijk hoeveel je altijd uiteindelijk weer tegenkomt, terwijl je bij het begin van de wandeling vaak denkt dat er niet zoveel meer te beleven valt.
Soms ook planten waar ik al tientallen foto's van heb, maar die dan ineens toch weer anders zijn, zoals dit roze gekleurde Slangenkruid. Bij het ouder worden verkleurt het roze naar het intense blauw dat zo kenmerkend is voor het Slangenkruid.

 En zo kan ik nog uren doorgaan, maar het is te mooi buiten om achter de pc te zitten!