zaterdag 22 december 2012

Op naar de feestdagen...


Lees ook het nieuwe blogje Duinpaddenstoelen hieronder

Duinpaddenstoelen

Na al die weken paddenstoelen zoeken in het bos, ben ik blij als ik weer in het schone duinzand lig in plaats van tussen de rottende, slijmerige bladermassa.

De echte duinpaddenstoelen groeien langs de zeereep, meestal op de wortels of resten van helm. Veel anders is er ook niet. Helm heeft lange, ondergrondse wortelstokken.  Ze zijn ook wel een beetje mijn favorieten. Ik houd van de bescheiden kleuren die passen bij de kleur van het duin. Ik bewonder ze om de stoere moed waarmee ze zich vanonder het zand omhoog wurmen en de koude zeewind en het zout trotseren.

Zoals bij heel veel paddenstoelen kunnen 100% zekere namen slechts met behulp van de microscoop gegeven worden. Toch - niet erg wetenschappelijk - heb ik zoiets van 'welke andere paddenstoel zou hier nou willen of kunnen groeien dan die specifieke duinsoort?'

Duinveldridderzwam
De duinveldridderzwam is een vrij forse zwam, je vindt ze weggedoken tussen het helmgras.

Duinfranjehoed


De inktzwarte lamellen zijn kenmerkend voor de franjehoedjes, die immers tot de familie van de Inktzwammen behoren. Ook deze paddenstoel staat verscholen tussen helm. 





Kan bijna niet missen dat dit een Duinvezelkop is. Kenmerkend is, behalve het vezelige hoedje, de groeiplek tussen de kruipwilg.


Dit is dan zo'n gevalletje dat je op Waarneming nooit goedgekeurd krijgt, en waarvan je dus op basis van andere foto's en de roze lamellen concludeert dat dit vast wel een Zeeduinchampignon is. Er zijn andere mogelijkheden, maar wederom 'wie zou hier anders willen groeien?'

Iets meer landinwaarts kun je het Zandputje vinden. Een wittige binnenkant en behaarde buitenkant, maar dat zie je niet zo want ze liggen diep in het zand. Op de foto hieronder heb ik geprobeerd om er eentje uit te graven, maar dat levert dus niet zo heel veel op: het zand zit er stevig opgeplakt.



 Weer even terug naar het helm, want er is nog een hebbepaddenstoeltje dat op helmresten groeit. Het Zandtulpje.
Dat wil je dus gewoon vinden vanwege de mooie naam.


woensdag 5 december 2012

Het Koninkrijk der Protista

 Heel klein en heel mooi. Verslavend ook. En tijdrovend.

Ze leven veelal op rottend hout, maar ook op andere donkere, vochtige plaatsen. Ze zijn meesters in het transformeren, zodat je eigenlijk nooit weet wie je nou ziet. En omdat hun leven vaak kort is, moet je eigenlijk dagelijks gaan kijken hoe het met ze is.

Jonge slijmzwammetjes, fel gekleurd en met een slijmerig steeltje


Slijmzwammen
Als je gaat zoeken naar informatie, kom je al snel terecht in een doolhof van uitleg. Dit komt omdat men tot voor kort niet precies wist waar de slijmzwammen in te delen en omdat er verschillende groepen zijn.

Vroeger dacht men dat de slijmzwammen behoorden tot het Rijk der Schimmels, zoals de Nederlandse benaming 'zwam' ook nog aangeeft. Onderzoek heeft inmiddels aangetoond dat ze niets met echte zwammen te maken hebben. De enige overeenkomst is de voortplanting via sporen. Maar dat doen planten als varens ook.
Een andere eigenschap van slijmzwammen is, dat ze zich voortbewegen en op grond daarvan zou je kunnen denken dat het diertjes zijn. 

Alles te samen genomen heeft men uiteindelijk besloten de slijmzwammen in te delen in een eigen rijk:

Het Koninkrijk der Protista
Klinkt toch een stuk beter dan slijmzwam!



 Binnen het koninkrijk zijn drie groepen te onderscheiden:
  • de echte (of plasmodiale) slijmzwammen (Myxomycotes),
  • de cellulaire (of pseudoplasmodiale) slijmzwammen (Acrasiomycota)
  • de waterslijmzwammen
Veel informatie met name op internet heeft betrekking op een van de groepen of zelfs een subgroep daarvan en dat is voor een leek uiterst verwarrend. Boeken zijn moeilijk te krijgen en veelal peperduur. En om ze volledig op naam te brengen  heb je een microscoop nodig.
Een beetje kansloze onderneming dus, de studie van de slijmzwammen.

Vruchtlichamen op steeltjes, bedekt met dauwdruppeltjes


Cellulaire slijmzwammen
Deze slijmzwammen beginnen als amoebe-achtige wezentjes die een kluizenaarsbestaan leiden dat uitsluitend bestaat uit eten. Totdat het voedsel opraakt. Dan zenden ze een noodsignaal uit naar soortgenoten en ze verenigen zich tot iets dat uiteindelijk veel weg heeft van een slijmerige slak. En kennelijk uitgaand van de gedachte 'samen staan we sterk' begeven ze zich naar een plek die geschikt is om sporen aan te maken en zich zo te verzekeren van nageslacht. Zo'n 20% van de aanwezige cellen in de 'slak' offert zich op en vormt een steeltje waartegen de rest omhoog klimt en een bolletje of staafje vormt waarbinnen de sporen aangemaakt worden. Het steeltje zorgt ervoor dat de sporen hoog en droog zitten! Slim toch?!

Boeiende wezentjes, maar voor de foto heb je er niet veel aan, want ze zijn te klein om met het blote oog te ontwaren. Hetzelfde geldt voor de waterslijmzwammen.

En dus ligt het voor de hand om de derde groep te bestuderen:

Plasmodiale slijmzwammen

De slijmerige massa kruipt over een stammetje


Waar de cellulaire slijmzwammen zich verenigen tot een gezellige groep van cellen, versmelten de zogeheten myxamoeben (1-cellige stukjes protoplasma, al dan niet met zweepharen) paarsgewijs.
De kern van zo'n stel gaat zich delen, zonder tussenwandjes aan te maken en op die manier groeit er een soort brij. Deze omhult zich met een simpel membraan. Stel je het voor als een  zak gevuld met protoplasma. Deze zak wordt het plasmodium genoemd. De slijmerige, vormloze massa 'zak' kruipt waaiervormig over het oppervlak, op zoek naar voedsel. Onderzoek heeft aangetoond dat de massa in staat is de kortste route naar aangeboden voedsel te ontdekken. Dit zou duiden op een vorm van intelligentie.
De massa is vaak fel van kleur: geel, rood, oranje. Een van de bekendste is de gele heksenboter.

Wit plasmodium met zeer jonge vruchtlichamen stort als een waterval naar beneden
Bij droogte worden er wel tussenschotjes aangemaakt bij de deling van de kernen en er ontstaat een soort ruststadium, het sclerotium. Als de omstandigheden beter worden, dan verandert dit sclerotium weer in een plasmodium en gaat weer verder met eten.

Als het plasmodium volgevreten is en de omstandigheden gunstig zijn gaat het plasmodium over tot het maken van vruchtlichamen (sporangiën). Deze kunnen gesteeld zijn of zittend. In het rijpe sporangium zitten draden (capillitium) en sporen.
Deze draden kunnen een ruimtelijk netwerk vormen, het geheel lijkt dan een beetje op een gekleurd watje, al dan niet gevuld met kalk. De draden en ook de ertussen zittende sporen kunnen versierd zijn met stekeltjes of spiralen. Voor een fotootje van dit laatste voldoet de standaardmacrolens helaas niet.

vruchtlichamen witgekleurd door de kalk

Tijdens het rijpen veranderen de sporen van kleur. Hierdoor en door de eventuele vorming van kalk verandert  het vruchtlichaam ook van kleur.

Bron: www.mycologen.nlCoolia

verschillende stadia van rijping


Een knaloranje bolletje zegt uiteindelijk weinig over de soort, want het kan nog van alles worden, dat is ongeveer wat we uit het bovenstaande kunnen concluderen.

De familie van de plasmodiale slijmzwammen bestaat weer uit een aantal geslachten. Die hebben vaak wat wonderlijke Nederlandse namen, zoals "gezellig draadwatje".

Het ruimtelijk netwerk van draden en sporen lijkt net een gekleurd watje, of zo je wilt een Wuppie. De boomstam ziet geel van de sporen. 


Plasmodiale slijmzwammen zijn het hele jaar door te vinden. Vooral in warme, vochtige periodes gaan ze over tot het aanmaken van sporen.

zondag 4 november 2012

Beetje filosoferen en zoeken in het bos

Vakantie schopt de blogroutine aardig in de war. Vlak voor de vakantie doken de eerste paddenstoelen op.  Vorig jaar had ik me fanatiek op de paddenstoelenstudie gestort, maar de meeste kennis is helaas al weer weggeëbd en eigenlijk had ik weinig puf om weer van voren af aan te beginnen met al dat moeizame gezoek naar bijpassende namen.


In Frankrijk vind je alleen paddenstoelen op de markt, niet in het bos. Prachtige, supergrote boleten. Het zou geweldig zijn als je die in het bos zou tegenkomen, maar dan moet je minimaal heel erg vroeg opstaan, want Fransen lijken alles wat eetbaar is weg te plukken. Slechts één vrij klein, aangevreten exemplaar weet ik te spotten in dat hele grote oerbos!


Wonderlijk toch, dat grote, verenigde Europa..... want niet alleen qua houding tegenover de paddenstoel verschillen wij van de andere volken, ook qua houding tegenover dieren.

Terwijl hier een compleet circus van fotografen (vorige week zondagmorgen waagde zelfs een camper zich tussen het bijna in file rijdende verkeer op het smalle pad van het Pannenland) zich vergaapt aan de bronstige herten, staan daar in het oerbos comfortabele jachthutten, zodat je als jager relaxt gezeten op je 'troon' kunt wachten of er iets voor de loop verschijnt. Op zich natuurlijk ook wel handig voor de fotograaf, zo'n jachtzetel!
Op de markt staat behalve een paddenstoelenkraam dan ook een grote kraam vol jagerskleding en jagersspullen. Zou hier direct een actiegroep voor liggen!



Toch voel je je vreemd en kun je je een beetje in het dier verplaatsen als je daar rondloopt: constant op je hoede, met een vaag gevoel van angst. "U kunt beter zo'n geel, fluorescerend hesje aantrekken als u in het bos wandelt", zegt de vrouw van de toeristeninformatie bemoedigend.

In de verte hoor ik een dier. Een everzwijn, denk ik optimistisch en heldhaftig. Dat zou wel cool zijn, een everzwijn in een oud Gallisch bos. En terwijl ik loop te bedenken dat op het moment van confrontatie de macrolens op de camera toch wel de misser van het jaar zou zijn, hoor ik een schot in diezelfde verte. Tot zover het everzwijn.

Bovenstaand bos is overigens niet dat oerbos, maar het statige landgoed Groenendaal. Een paddenstoelenparadijsje.

Die landgoederen brengen weer andere gevoelens met zich mee.

Kleine bloedsteelmycena's, te herkennen aan het rode sap dat uit de gekneusde steel komt

Groenendaal, en ook Elswout, zijn vooral keurige landgoederen, met bijpassend keurig publiek. Keurig gekleed, zo uit een modeblaadje weggelopen. "Genieten van de herfst!", dat soort titels. Dure camera's, dure statieven, dure mensen.
En ik voel me een beetje een landloper, met mijn bemodderde, kletsnatte broekspijpen, mijn oude, versleten jack, de allang niet meer waterdichte stappers.
Maar wellicht straal ik met mijn verlopen look wel een soort deskundigheid uit: zo'n geitenwollensok met een oneindige kennis van wat leeft in de natuur. De minutieuze zoektocht langs de bast van een enorme lindenboom naar het uiterst zeldzame Kleverig lindenbekertje, een piepklein paddenstoeltje dat ergens op de stam zou moeten groeien, versterkt ongetwijfeld die indruk.  "Praat u tegen de bomen, mevrouw?" (Het is herfstvakantie). Het bekertje heb ik helaas niet gevonden, wel hele schattige bloedsteelmycena's (niet op die lindenboom, maar op de ernaast staande beuk).

Qua hordes fotografen doen de landgoederen overigens niet veel onder voor het Lek. Zou er een paddenstoel zijn die niet minimaal 10 keer gefotografeerd is, voordat hij sterft?

Amanieten blijven leuk, ook al hebben ze geen rood hoedje. Dit is denk ik de Gele knolamaniet, ook al is hij wit. Zo gaat dat in de paddenstoelenwereld. Weinig logica.



Een heel herfstige paddenstoel is de beukenridderzwam. Met de kleur van kastanjes. Waar een streepje zonlicht op de paddenstoel valt droogt de hoed uit en zo lijkt de paddenstoel nog meer op een kastanje.

Ook heel herfstig is de (beuken)melkzwam. Dat 'beuken' tussen haakjes, want dat denk ik alleen maar, vanwege de oude beuken in het bos, maar eigenlijk is dat geen criterium. Melkzwammen herken je als soort vrij simpel door een paar lamellen te kneuzen. Er komt dan wit sap tevoorschijn. Verkleurt het sap snel naar geel of bruin, dan kun je op basis daarvan een naam aan de paddenstoel verbinden. Zo niet, dan moet je gaan ruiken. En proeven.



Tegenwoordig lig ik dus niet alleen op de buik in de modder voor een foto, maar ook nog eens met de neus op de grond teneinde de paddenstoel te besnuffelen. Helaas voor mij ruiken ze allemaal naar ...... schimmel. Moet je kennelijk eerst een cursus Meester-parfumeur voor volgen.

En proeven? Af en toe breek ik manmoedig een stukje af met de bedoeling het voorzichtig te proeven. Maar achter in mijn hoofd klinkt dan de waarschuwende stem van mijn vader: "eet nóóit van de paddenstoelen, kind!". "Nee, pap", en dan gooi ik het stukje toch maar weer weg en zal nooit weten hoe de paddenstoel heet.




Dodemansvingers.
Zwart als het rottend hout en de modder eromheen steken ze graaiend omhoog naar de argeloze fotograaf die de erboven staande Glimmerinktzwammetjes probeert te vereeuwigen. Super zwart tegen een diepzwarte achtergrond waren ze. Flitsen bederft toch wel de sfeer, achteraf bezien.

glimmerinktzwammetjes
En onderstaande foto? Doet het ergens aan denken? Heel in de verte? ................... :(

In gedachten zie ik ineens het beeldschone juwelendoosje van Loes met de tere, porseleinen pareltjes............

Een kist met zwavelkoppen .... verschil moet er zijn!  

Maar ach, uiteindelijk is dit wat overblijft van al die pracht!

vergaan porseleinzwammetje

vrijdag 21 september 2012

Gras

Soms heb je van die foto's, waarvan je zo ontzettend graag zou willen dat ze gelukt waren. Ik denk dat iedereen dat wel herkent. Heel veel Fotosjop eroverheen, maar wat niet is, kan ook niet komen. Weggooien, maar dat doe je dan niet....
Met planten kun je meestal wel op herkansing, met dieren niet. En dan zit je eindeloos naar die foto te staren alsof daar het koppie scherp van zou worden.

Het is zondagmorgen, al weer een dag of tien terug dus, en de nieuwe missie is Grassen. Wat laat in het seizoen, want uitbundige grassenbloei is meer iets van het voorjaar. Maar de paddestoelen laten op zich wachten en al wat je nog aan planten ziet, is toch hoofdzakelijk grasachtig.
Ik was vorig jaar al eens begonnen met de grassen, maar gras is echt moeilijk. Om te determineren en om goed op de foto te krijgen. Wel verrassend mooi.
Ik heb de afgelopen maanden wel veel gras en passant op de foto gezet, maar het determineren kwam er niet echt van. En als je dan gaat determineren op een regenachtige dag, dan heb je dus toch altijd net weer niet de juiste details op de foto staan. Wonderlijk is dat.



Neem nu deze geelrode naaldaar......


Met veel gehannes weet ik de bloem vast te leggen: van de lange meeldraden waaraan de paarsachtige, kruisvormig geplaatste helmhokjes en de wijnrode, gevederde stempels uitdagend buiten de gerimpelde kroonkafjes hangen tot zelfs de naar voren gerichte weerhaakjes op de goudkleurige borstelharen (voor die weerhaakjes moet je wel heel erg turen!). Ik fotografeer het blad, en de bladschede met de lange haren. Kortom, niets staat determinatie nog in de weg.
Zou je denken!
"Voor het verschil tussen de Groene naaldaar en de veel zeldzamere Geelrode naaldaar dient u te voelen of de stengel direct onder de aarpluim ruw of glad is" .

Oh..  ja..... tuurlijk!
(Gelukkig is deze naaldaar spontaan opgekomen in de aardbeienpot, wat enerzijds pleit voor de onkruidachtige Groene naaldaar, en anderzijds de gelegenheid biedt om alsnog de stengel te bevoelen.)

Nog eentje uit de serie 'Spontaan in de plantenbak': de Europese hanenpoot. Ook een wereldwijd welig tierend onkruid, maar 't doet weinig af aan de schoonheid. Mooi, die vrucht die kennelijk speciaal voor de foto even opengeklapt is en zo de rode stempels en de nog in ruste zijnde helmknopjes laat zien. De Europese hanenpoot is de enige grassoort die geen tongetje heeft (een vliesje op de grens van blad en stengel; dat vliesje kan verschillende vormen en afmetingen hebben en zo bepalend zijn voor de plantennaam. Geen vliesje is natuurlijk handiger!)




Nog zo'n toppertje: Gewone glanshaver (denk ik)
Met witte stempels die als fladderende vleugeltjes uit de kafjes steken. De meeldraden lijken bijna een soort buisbloempjes. Lange kafnaalden zorgen voor een sierlijk uiterlijk.





















Een soort van tussen de stoeptegels: Kropaar.

Bijzonder toch, zo'n verborgen bloemenrijkdom.

Maar ik was op weg naar het duin.

Duinriet.....

Hoge, dichte pluimen die goud glanzen in het zonlicht.
Heel erg veel goudglanzende pluimen!




Aan de voet van de kroonkafjes (eigenlijk de bloemblaadjes van het gras) zit wit pluis. Op enig moment ziet het duin er dan ook uit als een veld vol veenpluis. Kwestie van het juiste moment en het juiste weertype. Zou komend weekend kunnen zijn.

 Hier zie je de afgevallen kelkkafjes en de bloem (het kroonkafje met meeldraden en stamper) met de krans van pluis.






Een gemakkelijk te herkennen gras is het buntgras. Het is al eerder in mijn blogs langs gekomen, met de mooie pastelkleuren van het blad. Nu bloeit het uitbundig.



In een poeltje zie ik een fiere Lidsteng. Dat is geen gras, maar een weegbreesoort. Maar wel een fotogenieke plant met de stramme stengel met kransen van naaldachtige bladeren en piepkleine bloempjes in de oksels. Heel algemeen, maar ik heb hem nog niet in de database.

Ik haal de telelens te voorschijn, want het gebied is te drassig om naar de planten toe te waden. Een mooi beschaduwd poeltje met gefilter zonlicht.

Een super plekje, kan ik uren zitten!

Naast de Lidsteng beweegt iets zenuwachtig en in hoog tempo op en neer. Naar het water, en omhoog, en weer naar het water. Razendsnelle fladderende vleugeltjes. Het zijn wel heel veel vleugeltjes. Twee libellen in een tandem.... heidelibellen schat ik in (maar er zijn vast wel libellenfans die er meer naam op kunnen plakken).

Ik vraag me af of je zoiets op de foto zou kunnen krijgen. Met mijn beperkte camera wel te verstaan. De libellen gaan geheel op in hun liefdesding en storen zich niet aan het geklik en gerommel aan kant van de poel. Dat scheelt.

Tegen beter weten in draai ik de ISO-kraan volledig open (maar dat is helaas niet zo heel erg veel, en levert gigantisch veel ruis op weet ik uit ervaring; soms zou zo'n peperdure camera toch wel leuk zijn! ); ik zet de camera in de repeteerstand (doe ik zelden, want ik heb er een hekel aan om honderden foto's te moeten uitzoeken); ik stel scherp op de Lidsteng en op hoop van zegen ga ik klikken.
Het heeft weinig met fotografie te maken, en de camera is dan ook genadeloos. Slechts één foto kan er uiteindelijk ietsiepietsie mee door.
En dan die ene...... zo spijtig.  Mooie kleuren en een beetje mystiek, zo samen scherend in een liefdesvlucht over het zongefilterde water. Maar helaas.....


Jammer hè!












En ze kijken dan ook nog een beetje zo van 'geinig hè?!' Alsof ze best weten wat ik poog te doen daar aan de rand van de poel. Die blik zie je niet zo vaak bij libelles...

Het regent.... misschien schieten er eindelijk paddestoelen uit de grond!


woensdag 22 augustus 2012

Waar veenmos is.....

Tsja...  lijkt een simpele vraag die Loes stelt in haar reactie op het vorige blog. Toch zou je er een dik boek over kunnen schrijven. Waar veenmos is, kun je op termijn zonnedauw verwachten. Hoezo? vraagt Loes zich af.


Het antwoord op de vraag kan heel simpel zijn, volgens een bijbelse gelijkenis: de boer zaait en sommige zaadjes belanden op onvruchtbare bodem, andere op de rotsbodem en slechts een paar belanden op vruchtbare grond en kiemen.

Het zaad van de Muurleeuwenbek kiemt alleen in de voegen en spleten van oude muren 


Waternet zaait en ......

Maar er was een tijd zonder Waternet. Toen zaaiden de wind en de dieren, of de planten zelf.
Of het gebrachte zaad kiemt en uitgroeit tot een volwassen plant hangt van veel factoren af.

Het is boeiend om te zien hoe de groei van de een de voorwaarde vormt voor het kunnen kiemen van de ander. En hoe de nieuwe plant op haar beurt weer nieuwe voorwaarden schept, waardoor enerzijds de oorspronkelijke plant verdwijnt, en anderzijds nieuwe soorten zich vestigen en zijzelf uiteindelijk ook weer zal verdwijnen.

zaaddoosjes van Knopig helmkruid

Als je vanaf het strand in rechte lijn het duin doorsteekt, volg je als het ware de tijdslijn van de eerste pioniers tot aan de uiteindelijke bewoners. Vanaf de eerste sprietjes biestarwegras, zandhaver en helm die zo taai zijn dat ze zout, zand en zeewind kunnen trotseren tot aan de hoge bomen, tot aan de dorpen.

Bovenaan het strand zie je hoe kleine bergjes zand zich ophopen tegen de stengels van de eerste, taaie bewoners en waar bergjes zijn, zijn dalen. In die kleine kommetjes verzamelt zich wat zoet regenwater en dat geeft een ander  zaadje weer de kans om te ontkiemen. Wanneer deze planten sterven vormen ze een heel klein beetje bemesting voor de onvruchtbare grond.

De witte abeel wordt aan de kust vaak aangeplant omdat ze zoute lucht verdraagt


Veel van deze pioniersplanten hebben een degelijk wortelstelsel waardoor ze verstuiving van het zand tegengaan. Er ontstaan dan kleine duintjes met de bijbehorende kleine dalletjes waarin het water blijft staan. Hoe meer planten er komen, hoe meer dieren langskomen, voor het bladgroen, voor de honing, voor de zaden.

Muurpeper is zo'n zandbinder, met haar heldergele bloemen lokt ze insecten


 En zo nemen bemesting en vochtigheid toe en worden nieuwe voorwaarden gecreëerd voor weer andere zaden om te kiemen. De vegetatie wordt steeds dichter, rijker en groter.



Een van de boeiendste planten in deze reeks is de duindoorn. Een pionier van de zeereep. De vaak hoog opgroeiende duindoorn biedt schaduw, de bessenrijkdom lokt vogels die zaden en mest brengen. Bovendien maken de wortels van de duindoorn door een bepaalde bacterie in de grond stikstof aan. De stikstofrijke bodem rond de duindoorn biedt dan weer mogelijkheden voor planten die veel stikstof nodig hebben, zoals brandnetels. Tussen oude, hoge duindoornstruiken is het vaak niet alleen schaduwrijk, maar ook vochtig en hierdoor kunnen paddestoelen en mossen er een plekje vinden.
Een informatief stuk over de duindoorn vind je hier.

Als de bodem te rijk aan voedsel wordt, verdwijnt de duindoorn en maakt plaats voor liguster, meidoorn, Gelderse roos e.a

rijpende bessen van de meidoorn


Het is al met al een ingewikkeld, kwetsbaar systeem van samenleven en voorwaarden scheppen voor ander, nieuw leven. Je kunt je dan ook voorstellen dat de waterwinning in het duingebied desastreus is geweest voor de flora.
Tegenwoordig wordt langs de hele kust hard gewerkt om de aangebrachte schade te herstellen. Er wordt druk beheerd en weinig van de huidige natuur is nog echt 'wild'.

Maar door de omstandigheden optimaal te maken en de bij die omstandigheden behorende planten weer terug te brengen in de natuur, krijgen de zaden weer een kans om zich als van ouds te verspreiden en te vestigen, zodat het toch weer een beetje wild wordt en een vondst weer echt een vondst wordt.

zaaddozen moeraswespenorchis


Ook in de AWD wordt veel graafwerk verricht om de duinvalleien weer vochtig te krijgen. Je ziet steeds meer plekken waar zich poeltjes vormen. In deze drassige gebieden voelt het veenmos, samen met een aantal andere mossen en planten, zich helemaal thuis.

zaaddozen zonnedauw
Veenmos kan ontzettend veel water opnemen, en daarmee ook calcium en magnesium. Er worden dan waterstofionen afgegeven en die zorgen voor een bodemgesteldheid waarin materiaal geconserveerd blijft. Denk aan de veenlijken.

Bovendien sterft veenmos aan de onderkant af, terwijl de bovenkant vrolijk doorgroeit. Het afgestorven plantenmateriaal vergaat dus niet en vormt een steeds dikkere, vochtige deken. Door dieren, de wind of een idealistische bioloog worden dan de zaden gebracht die in deze dikke deken kunnen kiemen. Zoals het zaad van de Ronde zonnedauw.

bloem Ronde zonnedauw













Over dieren, moerassige poeltjes en biologen gesproken.

Het verhaal gaat dat er ooit een iemand met een plastic zakje/doosje/emmertje vol boomkikkertjes de AWD in trok. Een kenner waarschijnlijk. Iemand die wist welke omstandigheden dit kieskeurige diertje prefereert: een visvrije poel om te paren en een braamstruik om te zonnen. Meer is er niet in het leven van een boomkikker. Nou ja, rust..... dat ook. En die poel en die braamstruik (en die rust) moeten wel optimaal zijn..... optimaal naar de maatstaven van de boomkikker..... anders vertrekt-ie gewoon. Zonder rugzakje!

De plek om de diertjes te droppen is kennelijk goed gekozen, want er wonen sindsdien steeds meer boomkikkertjes in de AWD (zeggen de kenners). Op mooie lenteavonden kun je ze luidkeels horen kwaken (zeggen diezelfde kenners). Kan niet missen (zeggen ze ook, maar zij zijn kenners).

De aanwezigheid van een poel krimpt het aanmerking komende gebied aardig in (al neemt het aantal poelen zoals hierboven beschreven in ras tempo toe). Maar boomkikkertjes zijn wel heel erg klein, en dan is het poelengebied natuurlijk wel weer heel erg groot.
Zelfs Google weet ze niet te vinden. Fijn voor de boomkikker, sneu voor de blogger!

Heel veel bramen zoeken bij zonnig weer ......



't Doet wel alle damherten, vossen en ijsvogeltjes verbleken....